De wetenschapscrisis 

 

     De minister wijt de financiele crisis aan onvoldoende verantwoordelijkheidsgevoel van de managers. Hetzelfde kan gezegd worden betreffend de, meer geleidelijke, crisis van ondergang van de wetenschap dat is ingezet sinds managers i.p.v. wetenschappers als hoogleraar zijn aangesteld.  Als voorbeeld hoe dit proces verloopt voor de technische wetenschappen wordt hier het persoonlijk ervaren alarmerende verval van de houtwetenschap in detail beschreven zodat effectieve maatregelen bedacht kunnen worden om dit proces te keren. 

 

     Ongeveer veertig jaar geleden was het toepassen van de theorie bij het ontwerpen, dimensioneren, beproeven, oplossen van problemen en verklaren van schadegevallen van constructies vanzelfsprekend. Vrijwel altijd was eenvoudige toegepaste mechanica volgens de evenwichtsmethode voldoende voor een precieze beschrijving en verklaring. Dit was de normale taak van de research en de adviesbureaus. Nu blijkt de theoretische kennis vrijwel verdwenen te zijn met het aantreden van de managerhoogleraren en de computergeneraties, die geen idee hebben hoe de numerieke methode zich verhoudt tot theorie en werkelijkheid. Empiristen domineren nu het onderzoek en de wetenschapsanalyse is volledig dood. Het is bv. niet meer mogelijk de conclusies uit een empirisch lijntje te weerleggen m.b.v. de theorie en te wijzen op de door de theorie voorspelde gebied waar zelfs tegengestelde conclusies gelden, geverifieerd door verwijzing naar andere metingen. Dit bewijs leidt niet meer tot inhoudelijke discussie maar tot een enorme niet inhoudelijke scheldpartij, zelfs in de CIB-W18 meetings, wat het einde van de wetenschap bevestigt. Het leveren van het bewijs dat een door de VHC (Vereniging van Houtconstructeurs) gepropageerde berekeningsmethode foutief is, levert niet alleen een scheldpartij op maar ook een verbanning als lid en censuur. De VHC -leden mogen zelfs niet weten dat, op www dwsf.nl, kritiek daarop gegeven wordt. De theoreticus blijkt nu, door zijn onweerlegbare bewijsvoering, behandeld te worden als klokkenluider, waarschijnlijk door het app'l op het geweten, omdat of de economie of de veiligheid, in ontoelaatbare mate, in het geding is. Immers, ondanks overdimensioneren treedt vaak schade en instorting op van bv. grote dakconstructies door hoge sneeuw- of waterbelasting. Dit kan niet verklaard worden door die overbelasting. Er moeten, door gebrek aan kennis, vele grote, op elkaar inwerkende, ontwerpfouten gemaakt zijn om dit bezwijken mogelijk te maken.

 

     Als gevolg van het verlaten van de wetenschappelijke methode staat ook de weten­schappelijke ontwikkeling al lang volledig stil. Recentelijk is een proefschrift verschenen dat niet alleen niets toevoegt aan mijn ca 20 jaar geleden gegeven uitbreiding van de behandelde theorie maar daar afbreuk aan doet door foutieve overnamen en interpretaties. Alsof het een parodie betreft, zijn alle fouten die mogelijk zijn, ook werkelijk gemaakt wat de afwezigheid van kennis van de houtmechanica, het breukcriterium en limit analysis etc. illustreert. Dit veroorzaakt een paniekgevoel omdat de auteur betrokken was bij het basisonderwijs van houtconstructies voor het merendeel van de studenten.


     De afwezigheid van wetenschapsontwikkeling volgt ook uit mijn vele wetenschappelijke conceptpublicaties op elk belangrijk gebied van ca. 15 jaar geleden die nu ongewijzigd afgemaakt en gepubliceerd kunnen worden. Gedurende mijn afwezigheid in die tijd is er dus geen enkele ontwikkeling van de theorie geweest. De voor de exacte theorie in de plaats gekomen empirische, niet analytische, dus pseudowetenschap, blokkeert niet alleen de vooruitgang en de ontwikkeling van de economie maar is de oorzaak van de toenemende, soms ernstig, gebrek aan veiligheid van de constructies.

 

     In het volgende wordt voor het Nederlandse houtonderzoek besproken hoe de eliminatie van de wetenschap zich in een typerend geval heeft voltrokken en omdat nu, onder het huidig bestuur en bezetting, een kentering mogelijk is, wat voor maatregelen daartoe getroffen kunnen worden. Alle betrokkenen waarover het hier gaat zijn gepensioneerd en kunnen dus geen schade hiervan ondervinden. Desondanks dient gesteld te worden dat de zeer duidelijke overeenkomst met werkelijke personen toeval is. Echter wie de schoen past, trekke hem aan.

 

Het dieptepunt in de strijd tegen de "Houtwetenschap" begon als volgt:


Er was ooit een effectieve samenwerking van de TU Delft met Werkgroep C van de VHC waarin alle geledingen van de bouw actief vertegenwoordigd waren en de vele richtlijnen die opgesteld werden, waren gebaseerd op de theorie en onderzoek en zonodig op aanvullende eigen metingen. De richtlijnen werden ter goedkeuring besproken in de betreffende Onderzoekcommissies van Het Centrum Hout en in de TGB- commissie. De juiste procedure werd dus gevolgd in samenwerking met alle instanties. Het enorme succes van de relevante, efficiente en wetenschappelijke ontwikkeling was een doorn in het oog van velen en werd de ondergang van de werkgroep. Hoewel er een gezamenlijke output was van Werkgroep C, TU en Centrum hout, werd de ontkenning hiervan de directe aanleiding om Werkgroep C aan te pakken door een als grap bedoelde opmerking van een grootindustrieel dat de TU en het dure Centrum Hout een voorbeeld zouden kunnen nemen aan Werkgroep C. Direct werd ik gesommeerd Werkgroep C te verlaten op straffe van overplaatsing naar een lage niet technische functie binnen de TU. En, hoewel het geld niet beter besteed had kunnen worden, moest ook Werkgroep C beloven geen geld meer voor wetenschappelijk onderzoek te zullen aannemen van de industrie. Zoals hier zal worden aangetoond is naast competitie, wetenschapsfobie door het ontbreken van kennis, de werkelijke oorzaak van deze destructie die daarom alleen theoretici treft en de hele wetenschapsimpasse heeft veroorzaakt. Vooral de angst zich in de theorie te moeten verdiepen, denkend dit niet gemakkelijk te kunnen en dus uitgeschakeld te zijn, is uiteindelijk de oorzaak. Dit blijkt o.a. ook uit acties van collega's binnen de TU. Dit type collega, hier Ra genoemd, is als volgt te karakteriseren. Ra heeft een deeltijd onderwijstaak; doceert op zeer laag HTS–niveau en wil niets van wetenschap en wetenschappelijk onderzoek weten en maakt dit zelfs verdacht en is in TU- tijd altijd bezig te zien met werk voor zijn eigen adviesbureau. Ra maakte ook de activiteiten van werkgroep C verdacht en noemde de wetenschappelijk verantwoorde, dus constitutieve, berekeningsvoorschriften en berekeningsmethoden van de werkgroep, concurrentievervalsing en broodroof. Omdat Ra een wetenschappelijke benadering als bedreigend ervaart voor zijn positie is het evident dat hij, in de bezuinigingstijd, probeert, als vertegenwoordiger van de Houtsectie, de Houtonderzoeksgroep met zijn internationaal vermaarde wetenschapsoutput te laten opheffen. In alles werkte Ra samen met het Centrum Hout. Dit Centrum was, met Ra, de initiatiefnemer van de val van Werkgroep C en de effectieve boycot van TU- onderzoek, exact in tegenstelling aan het doel en functie van dat Centrum.

 

Wetenschapsfobie (in het verleden) van het Centrum Hout


De boycot (in het verleden) van de TU- onderzoeksgroep door het Centrum Hout kwam duidelijk voort uit angst en weerzin voor wetenschap. Dit is het best te karakteriseren met een woordvoerder V. van het Centrum, alsof die letterlijk zo zou hebben bestaan, als volgt:


- V. verklaarde openlijk en veelvuldig dat zijn rapporten en TNO - rapporten uit het verleden geen enkele (wetenschappelijke) formule mochten bevatten en moesten worden overgemaakt als zelfs maar naar zo'n formule werd verwezen.


- V. bestreed mijn mening, dat de theoretische benadering altijd mogelijk en altijd noodzakelijk is, alleen al voor de vereiste veiligheid. Hiertoe richtte hij een Centrum Hout Onderzoekgroep op met de contradictoire titel: 'Niet berekenbare constructies' en vermeldde daarbij ongevraagd mijn naam als rapporteur. Deze groep had geen leden en kon dus niet functioneren maar het doel was ook uitsluitend om hiermee de wetenschappelijke benadering te ontkennen en te ridiculiseren.


- Er was een oude afspraak met TNO op hoog niveau dat het Houtinstituut overwegend materiaalonderzoek zou doen en de TU-Delft constructief onderzoek ook voor de industrie. Echter V. boycotte dit door opdrachtgevers van constructief onderzoek automatisch door te sturen naar niet gekwalificeerde Duitse instituten. Omdat de TU echter in die tijd de internationale expert was op b.v. verbindingstechniek en groot onderzoek had uitgevoerd op b.v. hechtplaten en gordingschoenen, ging Duitsland ons, de TU, weer op dit gebied raadplegen en werden wij gedwongen, als begeleidingscommissie, die Duitse instituten het wiel opnieuw te leren laten uitvinden op kosten van de Nederlandse Industrie.

 

- In zijn vorige functie, als werknemer van het Houtinstituut TNO, stelde V. wetenschappe­lijk niet gekwalificeerd personeel aan, zoals landbouwkundigen i.p.v. civiel ingenieurs, voor constructieve zaken (Later gebeurde hetzelfde voor de directeursfunctie bij het Centrum).


- Beproeving was voor het TNO Houtinstituut niet het toetsen van een nieuwe voorspelling die volgt uit de theorie, zoals wetenschappelijk noodzakelijk is, maar het stukdrukken van willekeurige proefstukken. De (ongekwalificeerde) ingenieur liet dit aan de laborant over, die in feite alles bepaalde betreffende het onderzoek. De laborant hield zich niet aan internatio­naal en onderling afgesproken gecontroleerde beproevingsprocedures, etc. en jarenlang konden verkeerde uitkomsten opgegeven worden aan opdrachtgevers door verkeerde interpre­tatie van ijkwaarden van de pers en door onjuiste, voor de toepassing niet relevante, proef­stukdimensies etc. Dit bleek, ook bij een klacht hierover op hoog niveau bij TNO, niet te corrigeren. De laborant wist het beter. Het is belangrijk dit vast te stellen omdat V. ook in het Houtinstituut typisch als laborant is begonnen en deze gang van zaken en de oncorrigeerbaar­heid de essentie is van de nu heersende empirisch nihilistische pseudowetenschap. Voor de (onacceptabele) Eurocode 5 worden oncorrigeerbare empirische lijntjes geproduceerd, hoe­zeer er ook wordt aangetoond m.b.v. theorie en meting, wanneer deze volstrekt fout zijn.


 - De openlijke boycot van het onderzoek van de TU– Delft werd door V. gemotiveerd door te ontkennen dat de TU, naast de wetenschappelijke onderwijstaak, ook een onlosmakende wettelijke onderzoektaak heeft. ('Onderzoek dient TNO te doen' volgens V). Echter, ondanks de door V. erkende onderwijstaak boycotte hij automatisch, ook met succes, het wetenschappelijke TU- onderwijs (en dus de wetenschappelijke kennis) als volgt.

     -Doordat er een nieuwe voor heel Europa geldende richtlijn (Eurocode) moest komen, gebaseerd op de theorie, lag het voor de hand dit te laten samenstellen door de wetenschap­pelijke topspecialisten op de verschillende vakgebieden in CIB-W18 meetings. Het ligt voor de hand hetzelfde te doen voor het hieraan gekoppelde onderwijs en ons voorstel, colleges door deze specialisten te laten uitwerken in modulaire vorm, waarmee is aan te passen aan elke cursus en elk kennisniveau en waardoor elke docent in elk land van Europa les zou kunnen geven, werd enthousiast in heel Europa ontvangen, ook door de Industrie. De EG vroeg echter aan ons als initiatiefnemer om een brief van het Centrum Hout waaruit de steun van de Industrie zou blijken. V. stuurde daarop een briefje waarin hij ons succes wenste met dat project. De EG vatte dit op als onvoldoende steun zodat het project gecanceld werd en een unieke kans op internationaal toponderwijs verkeken was. Het project is later in sterk afgezwakte vorm door enkele landen deels voortgezet. Het uiteindelijk geproduceerde lesboek is soms een inleidende toelichting op de Eurocode maar bevat geen theorie. Deze inleiding had een gratis bijdrage van de Universiteiten zelf moeten zijn. Het is een verzameling van willekeurige al bestaande colleges op het laagste niveau van de gangbare personen in evenredigheid van de bijdrage van de industrie per land. Door het ontbreken van de theorie en de theoretische afleiding van de toegepaste empirische formules is het oorspronkelijke project dus alsnog met succes getorpedeerd. Het is dus voor een kentering noodzakelijk, internationaal onderwijs van voldoende omvang en wetenschappelijk niveau te ontwikkelen d.m.v. rechtstreekse contracten met de specialisten. Dit dient snel te geschieden, gebaseerd op omvangrijk literatuuronderzoek, omdat de theoretische houding en kennis al bijna is verdwenen door pensionering en door de aanstelling van nieuwe manager- hoogleraren. Deze managers boycotten de benoeming van theoretici uit existenti'le angst voor mogelijke concurrentie voor hun positie.

 

Boycot (in het verleden) van het EG-onderzoek door het Centrum Hout

 

     In een van de EC– programma's is het Centrum Hout als co'rdinator van al het EG- onderzoek aangewezen. Bedoeld was dat het Centrum als belangenbehartiger zou optreden en niet als super projectleider zich met de inhoud zou bemoeien omdat dat al internationaal geanalyseerd en geco'rdineerd was. Het project van de TU-Delft was een onmisbaar onderdeel van een groot internationaal samenwerkingsproject met het doel om een doorbraak te bewerkstelligen op het betreffende terrein. Op de eerste Nederlandse co'rdinatorvergade­ring zei co'rdinator V. van het Centrum Hout dat het onderzoek van de TU-Delft weliswaar internationaal en in Brussel de hoogste prioriteit had gekregen, maar dat Nederland (= V) het daarmee niet eens was. Dat soort proefjes waren al vaker gedaan vond hij. Het onderzoek kreeg daarom geen Nederlandse prioriteit. Een hoge Nederlandse prioriteit was er voor Wageningen en voor het internationaal afgekeurde TNO project. Er gold dus (zonder overleg of stemming) een Nederlands nul - prioriteit voor theoretisch houtonderzoek. Echter de redelijkheid van Wageningen maakte het vergaderingbesluit mogelijk dat, als dit TU - project internationaal aangenomen werd, Nederland niet tegen zijn eigen project zou stemmen of de TU uit dat project terug zou trekken. De Wagenings vertegenwoordiger van Nederland, die met V. mee naar Brussel ging, beloofde mij hierop toe te zien. Toen het TU – project, ondanks de Nederlandse onthouding van stemmen, doorging werd ik met dat succes door V. gefeliciteerd, met de mededeling: 'maar je krijgt het geld toch niet'. Dit is typerend voor de omgang van het Centrum met de TU- onderzoeksgroep. Zo'n uitspraak maakt een afspraak voor een nader gesprek noodzakelijk.. Op die afspraak zou V. dan stellig ontkennen dat hij gezegd zou hebben dat ik het geld niet zou krijgen. Vervolgens zou hij weer geld achterhouden voor een lachwekkend nonsens project met als suggestie dat dit meer waard is dan wetenschappelijke TU- projecten. In dit geval ging het om een zeer duur 'onderzoek?'- project van naast elkaar in de grond ingegraven rondhoutpaaltjes dienend als visueel scherm in een park. De bedoeling was duidelijk Nederland onmogelijk te maken in Brussel zodat geen toekomstige subsidie voor wetenschapsontwikkeling meer mogelijk kon zijn op dit terrein. Dit gedrag lijkt sterk op het kampbeulsyndroom dat hoort bij de macht die niet gebaseerd is op kwaliteit en dat daardoor voortdurend in allerlei vormen optreedt en nooit is te stoppen. Het is dus belangrijk te concluderen dat, om automatische boycot en kapitaalver­nie­tiging te voorkomen, een gebruikelijk ongekwalificeerde, niet theoretisch onderlegde manager als co'rdinator, (zoals het Centrum Hout in die tijd) structureel niet mogelijk moet zijn en dat contracten voor onderzoeksprojecten en de verantwoording daarvan uitsluitend via de directe projectleiders moet verlopen. Het is indertijd al gelukt de EC hiervan te overtuigen.

 

Boycot door de Vereniging van Houtconstructeurs ( VHC ).

 

     Deze boycot wordt niet besproken omdat mensen nog in actieve dienst zijn. Bedacht kan worden dat zo'n boycot automatisch plaatsvindt omdat het type Ra daar automatisch in het bestuur zit. Het is daardoor nog nooit gelukt contact te krijgen met het bestuur. Niet via de wettelijk gegarandeerde bezwaarprocedure als lid, noch op offici'le brieven namens de TU etc. Op de waarschuwing en het bewijs, van mogelijk grote onveiligheid van de Eurocode en een VHC- berekeningsmethode en een voorstel voor correctie van die methode volgde alleen een niet inhoudelijke scheldpartij van een betrokkene. Blijkbaar is ook hier de afwezigheid van kennis de oorzaak en is het geweten afwezig door de grote angst voor ontmaskering van de schijnwetenschap en het herrijzen van de intellectuele, dus bedreigende, analytische methode. Door het oncorrigeerbaarheidsprincipe van de schijnwetenschap is het zelfs niet mogelijk in de Houtbladen hier iets over te zeggen of een objectief waarschuwingsberichtje te laten plaatsen dat er kritiek bestaat en waar die is te vinden. Uiteraard is daar ook geen voorlichting mogelijk over nieuwe ontwikkelingen van de theorie.

Selectie tegen theoretici

 

Typische voorbeelden van de 'zorgvuldig' geachte benoemingsprocedures zijn in het nu volgende gegeven:


 - Het type TU- collega Ra luncht uiteraard tussen de middag met een hoge TU- bestuurder. Dit had tot gevolg dat zo'n bestuurder, die (als oud collega van Rijkswaterstaat) altijd vriendelijk groette, me al snel negeerde of vuile blikken toewierp. Het type Ra heeft ervaring met het wegwerken van collega's en legt zelfs openlijk uit hoe je zoiets moet doen. 'Begin met iets goeds te zeggen over iemand voordat je ernstige kritiek uit, dan wordt die kritiek altijd geloofd'. Hierdoor bleef Ra, als enig alternatief, over om, op zijn verzoek, zonder sollicitatie, voorgesteld te worden als nieuwe hoogleraar. Dit werd echter door een hoge TNO- bestuurder verhinderd, waarna de doctrine werd opgelegd dat geen collega hoogleraar kon worden (omdat Ra anders zou vertrekken uit de groep wat uit concurrentieoverwegingen ons niet gegund werd). Van latere externe sollicitanten bleek slechts ''n, een theoreticus te zijn wat tot zijn afwijzing leidde volgens de logica:'Er is al een theoreticus. Dit dient niet gedupliceerd te worden'. In plaats daarvan werd door de TU- bestuurder een directeur van een tekenbureau voorgesteld als hoogleraar. Op de voorzichtige tegenwerping dat de man niet eens HTS-er was, reageerde hij met 'wat zou dat, als het een goede man is'. Het is duidelijk dat dit demonstreert, hoe diep de angst zit voor de wetenschap en voor de theoreticus.


 - Bij de invoering van het UD-UHD- stelsel moest iedereen naar zijn eigen functie solliciteren. Dit had geen consequentie omdat noch de functie en positie en noch het salaris veranderde met al of niet benoemd worden. Het was dus een formaliteit, behalve voor Houtconstructies. Ouderen waren in die tijd niet gepromoveerd omdat toen hun Ir- titel gelijk was aan de Phd- titel voor sollicitaties in het buitenland. Als enige UHD van CT moest ik wel formeel gepromoveerd zijn. Het overleggen van een gereviewd conceptproefschrift gold niet. Ik werd negatief beoordeeld voor de beoordelingsperiode van een maand die precies tussen 2 wetenschappelijke publicaties in viel. Om dit te weerleggen heb ik mijn volgende proefschrift en latere dissertatie gebaseerd op mijn werk tijdens die maand. De benoemingscommissie weigerde referenties in te winnen bij samenwerkende beoordelingsbevoegde collega's van de internationale top van het vakgebied en besliste in de bezwaarprocedure daartoe niet verplicht te zijn. Men vertrouwde meer op het negatieve (bewezen onjuiste) oordeel van outsider Ra dan op het oordeel van een groep theoretici. Omdat de Houtgroep bij de Staalgroep werd gevoegd, was het hoofd van de nieuwe Sectie wel benieuwd naar de kwaliteit van zijn nieuwe medewerker zodat alsnog door hem referenties werden ingewonnen. Deze pakten zeer goed uit en zelfs de door mij opgegeven theoretische tegenstanders hadden mij een 10 gegeven, zodat de benoeming naar mijn eigen functie, die ik al 20 jaar bekleedde, per ongeluk toch doorging ondanks het bezwaar theoreticus te zijn. Door afwezigheid van een Hoogleraar werd deze taak al zeer lang door mij vervuld en de geraadpleegde collega's van de internationale top dachten dat het om een definitieve hoogleraar benoeming ging en waren beledigd dat ze al die moeite gedaan hadden voor een nepbenoeming. Blijkbaar ontbreekt bij hen het besef dat theoretici voor elke functie (die met wetenschap te maken heeft) niet meer benoemd kunnen worden.

 

Boycot (in het verleden) door de algemene dienst van de TU.

 

De strijd tegen de wetenschap speelde zich ook binnen de TU af. Volgens het eerder genoemde syndroom van manager- bestuurders werd de volledig ongeschoolde TU- administratie bevoegd bevonden te bepalen wat wel of niet publicaties en wetenschappelijke publicaties zijn. Bijvoorbeeld:


 - Extra geld van de Minister, als extra beloning van wetenschappelijke output, werd in die tijd door de TU zelf verdeeld. Het is evident, dat de machtigen, zonder output, in dit systeem het meeste geld kregen. Een collegereeks van een hoge bestuurder b.v. gold als een internationaal wetenschappelijk congres met de colleges als nieuwe wetenschappelijke output. Voor vriendje Staalgroep gold b.v. de bijdrage aan het jaarlijkse HTS- congres, de IABSE, als wetenschappelijk. Voor de Houtgroep met zijn te grote wetenschappelijke output was het IABSE congres niet alleen niet wetenschappelijk, maar een bijdrage gold zelfs niet als gewone publicatie. Doordat de administratie een eenmalig voorgekomen congres als enig jaarlijks wetenschappelijk congres voor hout had gekozen bestond er in feite geen wetenschappelijk congres voor de Houtgroep.

 

 - Het blijkt onbekend binnen CT dat de wetenschappelijke discussie op houtgebied gevoerd werd in CIB-W18, zodat publiceren in de proceedings noodzakelijk was. Er was een review systeem, echter geen commercieel ISBN- nummer. Door dit laatste gold de bijdrage per definitie niet als publicatie.


 - De discussie op het gebied van de moleculaire kinetiek vond uitsluitend in Rusland plaats (groep Ivanov) omdat de wetenschappelijke ontwikkeling in de rest van de wereld nog niet zo ver was. Echter de, voor de wetenschappelijke discussie noodzakelijke publicaties in 'Oostbloktijdschriften' golden niet als publicaties.


 - De Houtgroep moest vroeg in het jaar zijn jaarlijkse output opgeven waarna geen wijzigingen werden toegelaten. Latere publicaties werden dus niet gerapporteerd, ook niet in het jaar daarna omdat het jaartal dan niet klopte. Deze beperking gold niet voor b.v. de Staalgroep en de Betongroep, die tot het laatste moment konden aanvullen, wijzigen of publicaties doorschuiven naar het volgend jaar.

 

    Het is evident dat de vele van dergelijk soort maatregelen een volle dagtaak kostten om te proberen te overleven en als groep te kunnen functioneren. Mijn eigenlijke taak moest daarom 's avonds in eigen tijd gedaan worden wat de kennelijk gewenste halvering van mijn output bewerkstelligde.

 

Boycot door de empiristen 

 

 - Zoals vermeld aan het begin van dit artikel, leidde een review vooraf van een CIB-W18 concept artikel, waarin bewezen werd dat de waarnemingen verklaard worden door de theorie, leidend tot afwijkende conclusies, tot een scheldpartij en tot het voornemen van een groep hoogleraren de lezing te zullen verstoren als dit daar genoemd zou worden en in de definitieve proceedings gepubliceerd zou zijn (zoals mij achteraf is medegedeeld).

 

 - Na het aantonen dat de gangbare methode van fracture energy bepaling onjuist was, werd samenwerking en discussie door de internationale deskundigen geweigerd omdat die methode in hun proefschriften toegepast was. De betreffende publicaties en mijn uitbreidingen van de theorie worden daarom doodgezwegen.

 

 - Het doodzwijgen van artikelen blijkt in het algemeen strikt toegepast te worden. De theorie van de locale druk loodrecht op de vezelrichting, tweemaal ingebracht in CIB-W18, wordt, als zodanig, genegeerd. Er zijn daarom weer nieuwe empirische lijntjes geproduceerd voor de Eurocode die niet algemeen geldig zijn en gigantisch afwijken van de vele lijntjes van de vele andere onderzoekers. De toegezonden theoretische verhandelingen die al die verschillen verklaren worden genegeerd en ook de uitgebreide achtergrond en vereenvoudiging van de theorie in Holz als Roh – und Werkstoff. Net als in de Fracture Mechanics bevat de vereenvoudigde vorm van de sterkte een geometrische factor. Uitsluitend hiermee is eenvoudig de verklaring te geven van alle sterk uiteenlopende meetwaarden van alle verschillende onderzoeken en is een juiste richtlijn voor de Code te geven.

 

 - Hetzelfde geldt voor een Heron- artikel over het hier eerder genoemde proefschrift. Hoewel de auteurs de vele evidente, in de review besproken, fouten tenslotte inzagen werd dit en de afgeleidde correctie genegeerd en niets veranderd.

 

Dit is kenmerkend voor de schijnwetenschap. Anders dan in de wetenschap waar een fout leidt tot het verlaten van de hypothese en het volgen van een nieuwe, is de schijnwetenschap oncorrigeerbaar. Een discussie is daarom niet mogelijk wat ook de censuur van de VHC verklaard. De fout wordt weggeredeneerd zodat er in feite sprake van opzettelijk bedrog, wat daarom bestreden moet kunnen worden.

 

Boycot door TU- 'medewerkers'

 

     De strijd tegen de wetenschap binnen het samenwerkingsverband binnen de TU (in het verleden) wordt met enkele voorbeelden gegeven die gezien moeten worden als perfecte karakterisering van wat werkelijk gebeurd is.


- Op het moment dat de onderzoeksgroep het zeer druk had met de rapportering van het EG-onderzoek, schoof de EG de eindrapportage datum naar voren, wat dag en nacht doorwerken betekende. Ra sloeg zijn slag en nam toen, tijdens zijn collegetijd een maand verlof, zodat de overbelaste onderzoekgroep van de ene op de andere dag alle colleges erbij moest doen. Tegen zijn verwachting in ging de boel niet over de kop en waardeerden de studenten de eindelijk interessante colleges. Dit is een algemeen voorbeeld van automatische verstoring van het onderzoek wat altijd in een of andere vorm voorkwam.

 

- Nadat de TU- onderzoeksgroep de nieuwe TGB had ontwikkeld, stelde het Centrum Hout zelf voor aan de TU en het NNI om bekendheid te geven aan de post- academische voorlichtingscursus van de TU hierover. Dit werd echter niet door het Centrum uitgevoerd zodat niemand op de hoogte was en vrijwel niemand de cursus volgde en de voorlichting in duigen viel. In plaats daarvan werd door het Centrum en Ra een cursus georganiseerd, waarin, niet gehinderd door enige kennis, verteld werd hoe fout de TGB- tekst was en hoe die wel moest zijn. Echter de tekst van de richtlijn bleef hetzelfde en werd niet veranderd. Blijkbaar verkondigde Ra evidente onzin omdat toch de oorspronkelijke betekenis gold. Dit werd niet gezien door de vele cursisten die nu wel door het Centrum opgetrommeld waren. Door de foutieve en zeer negatieve behandeling verloren de cursisten elk geloof in, en interesse voor, de wetenschappelijke achtergrond van de TGB-Hout. Door niemand is daar ooit naar gevraagd en zelfs houtdocenten blijken nu, na 20 jaar, nog steeds niet op de hoogte te zijn. Het is evident, en hoort bij de regelgeving, dat het NNI en de TGB- commissie gaan meewerken en alsnog opdracht geven tot publicatie van deze wetenschappelijke achtergrond van de TGB, waarvoor de door niemand gevolgde PDOB–cursus als inleiding kan dienen.

 

- Als een belangrijke theorie werd ontwikkeld uit een onderzoeksproject, weigerde de ooit aanwezige hoogleraar een vervolgonderzoek te laten doen. De verklarende theorie, die uit een onderzoek volgt, is hypothetisch zolang die niet getoetst is op b.v. de bijzondere, nooit eerder gemeten, voorspellingen van die theorie. Pas na die verificatie is volledig op de theorie te vertrouwen, zodat met het niet uitvoeren van het noodzakelijke vervolgonderzoek de theorie ontkent en genegeerd kan worden (en dus geen bedreiging meer is).

 

- Doordat een onderzoeksrapport vaak, als subtitel, de naam van de student droeg die bij dat project was afgestudeerd bv 'Resultaten onderzoek Hestra' (naam is fictief) noemde de Hoogleraar de daarin ontwikkelde theorie ook naar hem, ook al werd dat rapport een jaar later geschreven mede gebaseerd op ander onderzoek. De hoogleraar verklaarde daarmee mijn grote output impliciet als plagiaat. Waarschijnlijk hebben deze studenten, die zelf geen analyse konden geven, daardoor een prachtige referentie als onderzoeker meegekregen.

 

- Bij een interne beoordeling van de output van de afdeling werd mij, door het hoofd van de sectie, verboden de vele nieuwe conclusies uit de ontwikkeling van nieuwe theorie van het EG-onderzoek te vermelden omdat de Staalgroep op dat terrein niets gepresteerd had. De beoordeling van de Staal- Houtgroep was daardoor negatief.


- Er was een bijzondere regeling mogelijk om minder te kunnen werken en extra externe hulp te kunnen aanstellen zonder dat het kosten meebracht voor de TU of de organieke structuur na mij be'nvloedde. Dit werd zonder reden, puur uit geweld, door het hoofd van de sectie geweigerd, wat voldoende was voor een instorting t.g.v. een oud oorlogsstress syndroom. (Leve de competitie). Door deels arbeidsongeschikt te zijn zou het mogelijk geweest zijn mijn vele conceptpublicaties te kunnen afmaken. Dit werd verhinderd, uiteindelijk door bewijsmateriaal te vernietigen zodat tegenover de rechter ontkent zou kunnen worden dat bezwaar door mij was aangetekend tegen volledig ontslag, zodat het pas ca 10 jaar later, nadat alle betrokkenen gepensioneerd waren, lukte die taak nu af te kunnen maken als gastdocent. Echter het algemene kennisniveau is inmiddels te onvoldoende (ook internationaal) om deze publicaties effectief te kunnen laten zijn en de noodzaak van theorie te kunnen laten inzien.

 

Conclusies en maatregelen

 

     De conclusies zijn in het artikel zelf gegeven. Aangetoond is dat de wetenschappelijke methode en discussie niet werkelijk meer bestaan en ook theoretische ontwikkeling gestaakt is en vervangen door het empirisch nihilisme. Hierdoor wordt, met het verlaten van de oude bouwvoorschriften in de nieuwe Eurocode, constructief niet meer altijd voldaan aan de wettelijke eis van voldoende veiligheid tegen bezwijken, etc. Om maatregelen tegen crimineel gedrag en competitie te kunnen vinden zijn vele voorbeelden gegeven van hoe de destructieve strijd tegen de wetenschap gevoerd wordt. Maatregelen hiertegen zijn nodig om de volledige ondergang van de wetenschap en toepassing te keren en vooruitgang mogelijk te maken waarmee toenemende bouwongelukken worden voorkomen.

 

 - Om te beginnen, (zoals al juridisch verplicht is), dienen de Eurocode en de Nederlandse richtlijnen gebaseerd te zijn op de theorie, dus op de juiste beschrijving van de werkelijkheid en dus op de vereiste juiste garantie van de veiligheid en economie. Dit is altijd mogelijk. Dit ontkennen is het verloochenen van de wetenschap en dient tot overplaatsing te leiden.

 

 - De Eurocode dient niet geaccepteerd te worden door de TGB- commissie zolang de empirische lijntjes en formules niet vervangen of verklaard en begrensd zijn door de theorie. Pas dan kan werkelijk voldaan worden aan de eis van de Eurocode van bekende voldoende veiligheid tegen bezwijken. Het is een morele verplichting een Eurocodecommissie op te richten die de Eurocode en de TGB vertaalt naar een wetenschappelijk verantwoorde Code.


 - De richtlijnen gelden alleen voor de veel voorkomende eenvoudige gevallen. Voor gewoonlijk unieke problemen, schadegevallen en belangrijke constructies is kennis en toepassing van de theorie noodzakelijk en de bevoegde constructeur dient hiertoe te zijn opgeleid. Een veel grotere groep dan nu het geval is dient voor opleiding bereikt te worden.

 

 - Daartoe dient er een vervolgcursus op de STEP te komen die de theorie behandelt en de verklaring geeft van de empirische formules. Hiertoe dienen naast de houtmechanica, basiswetenschappen als b.v. de limit analysis, de theoretische fracture mechanics en de moleculaire kinetiek en de statistiek van b.v. het volume effect etc. behandeld te worden. Door de colleges in module vorm uit te laten werken door de specialisten is te zorgen dat wetenschap voor iedereen op elk niveau begrijpelijk en toepasbaar is.

 

 - Zoals volgt uit het uitgebreide betoog hier, is de structurele competitie funest en leidt tot criminaliteit omdat de incompetente alleen daardoor wint. De criminele strijd tegen de theorie blijft daarna doorgaan uit de veronderstelde noodzaak van positie handhaving. Het is noodzakelijk zo'n competitie uit te sluiten door te selecteren op wetenschappelijke prestaties. Om de, door de kleine werkgroepen, overbodige managers te weren dient de hoogleraar/professortitel te worden afgeschaft en het salaris voor iedereen gelijk en minimaal te zijn met een bonus evenredig met zijn output van nieuwe theorie of verwerking daarvan in collegestof, extern te beoordelen (review- systeem) door de internatio­nale top op het betreffend wetenschapsgebied. Deze output beloning, als extra beloning, is deels al ingevoerd voor vakgroepinkomsten. Met deze maatregelen is wellicht de kans groot dat de stagnerende en incompetente baantjesjager naar de hoogleraartitel gaat verdwijnen.

 

 - Doordat de vakgroep een ton in euro's ontvangt voor een proefschrift is de kwaliteit van het proefschrift nihil (zie b.v. DWSF.nl voor de kritiek op zo'n proefschrift). Het dient verplicht gesteld te worden dat de dissertatie een verzameling is van gereviewde artikelen van internationale toptijdschriften. Daartoe dient eerst actie ondernomen te worden om het review-systeem sneller, objectiever en van hoger niveau te maken. Na goedkeuring van de kwaliteit dient een artikel en het commentaar daarop altijd plaatsbaar te zijn in het tijdschrift of (bij plaatsgebrek) op een bijbehorende website.

 

T.A.C.M. van der Put            
e-mail: 
vanderp@xs4all.nl